dagboek/2015/20151011.jpg
11 oktober 2015

'Goedemorgen,' zei ik, en de grote zwaargebouwde man draaide zich langzaam om en knikte. De ogen in zijn ronde, ongeschoren gezict waren leeg en ongeïnteresseerd en ik besloot dat Sam er inderdaad een beetje traag uitzag. Ik vond het moeilijk voorstelbaar dat hij ons op wat voor manier dan ook zou kunnen helpen.
De pinken stonden vlakbij en bekeken ons met lome interesse toen we door het hek kwamen. Ze hadden duidelijk genoten van elke minuut van het vermaak dat we hen deze ochtend hadden geboden, en ze waren klaar voor meer pret als wij dat in petto hadden; maar dat was aan ons natuurlijk - als wij andere plannen hadden, vonden zij dat evengoed prima.
Sam zette zijn fiets tegen de muur en stapte plechtig naar voren. Hij maakte een cirkel van zijn duim en wijsvinger en plaatste die tegen zijn lippen. Zijn wangen bewogen alsof hij inwendig alles in de juiste stand zette, en ademde toen diep in. Toen, uit het niets, begon er een aanzwellend kwaadaardig geluid, een gemeen zoemen en brommen en ik keek verschrikt rond naar een duidelijk woest insect, klaar om te steken. Het effect op de koeien was als een elektrische schok. Hun superieure air was verdwenen en daarvoor in de plaats leken ze verstijfd van schrik; toen het geluid harder werd, draaiden ze zich om en galoppeerden de heuvel op...schouder aan schouder, in een verschrikt blok.
'All creatures great and small, door James Herriot', pg 289